Goede voornemens in beweging: zo houd je het vol na januari

De tweede helft van januari is een bijzonder moment. De feestdagen liggen achter ons, de agenda’s zijn weer gevuld en de sportscholen puilen – nog steeds – uit.

Velen van ons zijn het jaar begonnen met een vertrouwd goed voornemen: meer bewegen. We wandelen vaker, hebben ons ingeschreven bij een sportschool of trekken trouw drie keer per week onze hardloopschoenen aan. De eerste weken gaat het verrassend goed. Maar dan, ergens tussen half februari en maart, sluipt het oude patroon er weer in. Drukte, vermoeidheid, slecht weer. En voor je het weet is dat goede voornemen verdwenen. Hoe komt dat, en belangrijker: hoe voorkom je het?

Waarom het vaak misgaat

Goede voornemens mislukken zelden door een gebrek aan motivatie op 1 januari. Het probleem zit hem vaker in hoe we ze vormgeven. We beginnen enthousiast en leggen de lat meteen hoog: vijf keer per week sporten, tien kilometer hardlopen, nooit meer de lift nemen. Dat vraagt veel wilskracht, en wilskracht is geen onuitputtelijke bron. Zodra het leven weer ‘normaal’ wordt, blijkt dat we onze plannen hebben gebouwd op motivatie in plaats van op gewoonte. Daarnaast focussen we vaak op het einddoel – fitter worden, afvallen, sterker zijn – en niet op het proces. Als de resultaten even uitblijven, voelt bewegen al snel als ‘zinloos’, terwijl de gezondheidswinst vaak juist zit in de herhaling op lange termijn.

Van voornemen naar gewoonte

De sleutel om bewegen vol te houden, is het omvormen van een goed voornemen naar een vaste gewoonte. Dat begint met realisme. In plaats van jezelf voor te nemen om elke dag intensief te sporten, kun je beter kiezen voor een doel dat haalbaar is, ook op drukke of mindere dagen. Twintig minuten wandelen telt óók. Consistentie is belangrijker dan intensiteit. Koppel bewegen daarnaast aan iets wat je al doet. Ga bijvoorbeeld na het avondeten standaard een rondje lopen, of fiets op vaste dagen naar je werk. Door bewegen te ‘plakken’ aan bestaande routines, hoeft je brein er minder over na te denken. En hoe minder denkwerk, hoe groter de kans dat je het blijft doen.

Maak het leuk (of in elk geval minder vervelend)

We houden het langer vol als we iets doen dat we leuk vinden – of dat in elk geval niet tegenstaat. Niet iedereen hoeft te hardlopen of in de sportschool te staan. Dansen, tuinieren, zwemmen, fietsen of een teamsport: het telt allemaal. Variatie kan ook helpen om verveling te voorkomen. Wissel intensief bewegen af met rustigere vormen en gun jezelf de ruimte om te ontdekken wat bij je past. Sociale prikkels zijn eveneens krachtig. Samen bewegen, of het nu met een sportmaatje is of in een groepsles, vergroot de kans dat je komt opdagen. Je zegt minder snel af als iemand op je rekent.

Denk in systemen, niet in perfectie

Misschien wel het belangrijkste: laat het idee los dat het altijd perfect moet. Een week minder bewegen betekent niet dat alles mislukt is. Zie bewegen als een systeem dat je steeds weer oppakt, niet als een alles-of-niets-project. Juist door mild te zijn voor jezelf, voorkom je dat een tijdelijke terugval leidt tot volledig afhaken. De tweede helft van januari is daarmee geen eindpunt van goede voornemens, maar een kantelpunt. Nu de eerste motivatiepiek afvlakt, is dit hét moment om slimmer in plaats van harder te bewegen. Door realistische keuzes te maken, routines te bouwen en plezier centraal te stellen, vergroot je de kans dat bewegen niet alleen een januari-voornemen blijft, maar een vast onderdeel van je leven.

Wij waarderen je privacy.

Wij gebruiken cookies voor analyse, de mogelijkheid tot berichten te delen op social media en om advertenties te tonen. Door op Akkoord te klikken en verder te gaan stem je in met ons privacybeleid en kan je gebruik maken van deze functionaliteit.